Essays over identiteit, nabootsing en geweld


Charles Baudelaire vertaald door Menno Wigman, ‘De uilen’

– Over de wens een andere mens te zijn  –

‘De uilen’ is een Baudelaire grand cru, waarin uilen archetypisch-wijs de menselijke ziel blootleggen.

© Prometheus

– – –

DE UILEN

Onder de heesters die schaduw schenken
Zitten de uilen – onbewogen
En als vreemde goden wier ogen
Een rode gloed uitzenden. Zij denken.

Zij rusten zonder zich te verroeren
Tot het droeve uur op komt dagen
Dat de schuine zon gaat verjagen
En de schemer met zich mee zal voeren.

Hun houding wil de wijze leren
Niets op deze wereld te begeren
Wat onrust, rumoer en beweging heet;

En wij, op jacht naar vluchtige fortuinen,
Torsen ons leven lang het leed
Van plaats te hebben willen ruilen.

Charles Baudelaire vertaald door Menno Wigman
De bloemen van het kwaad (2021, oorspronkelijk gepubliceerd in 1987)

_ _ _

Analyse

‘De uilen’ is één van de 32 gedichten die Menno Wigman vertaalde voor zijn kleine bloemlezing met gedichten van Charles Baudelaire, De bloemen van het kwaad. Het originele Franse gedicht Les Hiboux uit de bundel Les Fleurs du mal (1857) wordt op tal van YouTube-filmpjes voorgedragen én gezongen (o.a. door Léo Ferré). Op even talrijke sites wordt het gedicht geanalyseerd, al of niet ter voorbereiding van het baccalaureaat-examen literatuur op het einde van Franse middelbare scholen. ‘De uilen’ is ongetwijfeld een Baudelaire grand cru, waarin uilen archetypisch-wijs de menselijke ziel blootleggen.

In mijn analyse focus ik op de (uitstekende) Nederlandse vertaling van Menno Wigman, die ook probeerde het gedicht de vormvastheid van het origineel mee te geven. De 14 regels van het sonnet zijn – zoals het hoort in deze dichtvorm – verdeeld in twee strofen van vier en twee strofen van drie regels, mét dezelfde inhoudelijke wending of volta tussen de kwartetten en de terzinen zoals in het origineel. De eerste 8 regels hebben het over wat er te zien is: uilen die stil zitten. De volgende 6 regels leveren de les die wij mensen uit dat tafereel dienen te halen. Alle regels hebben afwisselend 9 of 10 lettergrepen volgens het (volle) rijm op het einde van de regels: abba cddc eef gfg. Alleen de laatste 3 regels hebben resp. 11, 8 en 9 lettergrepen. Zou dat een reden hebben? Het origineel heeft die afwijking niet: het zijn metrische regels van acht lettergrepen.

DE UILEN

Onder de heesters die schaduw schenken
Zitten de uilen – onbewogen
En als vreemde goden wier ogen
Een rode gloed uitzenden. Zij denken.

Zij rusten zonder zich te verroeren
Tot het droeve uur op komt dagen
Dat de schuine zon gaat verjagen
En de schemer met zich mee zal voeren.

De twee kwatrijnen schetsen een natuurtafereel: uilen – heesters – zon – schemer. De focus is op de uilen, meteen ook de titel van het gedicht: niet één, niet twee, maar een onbepaald aantal, misschien wel alle uilen als vogelsoort? Het enige wat er opvalt aan de uilen is dat ze stil zitten – ze maken geen beweging, ze verroeren zich niet.

De rustende uilen krijgen al in de tweede regel een menselijke trek: ze zitten onbewogen – want naast de letterlijke betekenis dat ze niet bewegen, heeft onbewogen ook de figuurlijke betekenis ‘door niets aangedaan, niet geroerd, syn. koelbloedig, koud, onverschillig‘ (van Dale). Een duidelijkere personificatie is dat de uilen denken (regel 4); en dat ze verdriet kunnen hebben: het droeve uur nadert (regel 6). Maar al vanaf de derde regel blijkt dat de uilen niet zozeer menselijke eigenschappen worden toegeschreven, maar goddelijke. De uilen worden vergeleken met vreemde goden. Ook het adjectief onbewogen kan wijzen op hun verheven goddelijke status: van goden of God wordt wel eens beweerd dat ze zich van de wereld niets aantrekken. Aristoteles had het over de onbewogen beweger, een principe dat Thomas Aquino overnam om te bewijzen dat God bestaat.

En wat te denken van de rode gloed van hun ogen? Uilen hebben in onze contreien zwarte, gele of oranje ogen. Uilen met oranje-rode ogen – weten kenners – vliegen en jagen vooral in de schemering. Dus ja, het zou wel eens kunnen dat de dichter het over deze uilen heeft, maar omdat de rode gloed hier in een context van goden staat, lijken die ogen vooral een mysterieuze, mystieke, religieuze boodschap uit te stralen (zenden).

Let ook op het bijzonder korte zinnetje waarmee de eerste strofe eindigt: Zij denken. Ook in het origineel: Ils méditent. De korte bevestigende zin benadrukt zo wat ze doen: zij zijn niet eerst druk-druk-druk en rusten daarna even uit na een geleverde inspanning. Wat zij doen, is van een compleet andere orde: zij mediteren voortdurend, zij zijn een en al geest (zonder lichaam).

Hun roerloos stil zitten, duurt erg lang, eigenlijk de hele dag tot de zon ondergaat. Dan komt er waarschijnlijk een eind aan hun onbeweeglijkheid: zijn ze daarom verdrietig? Het droeve uur is een mooie, archaïsch verwoorde personificatie die misschien wel dezelfde connotaties oproept als het oorspronkelijke l’heure mélancolique: een verlangen naar wat nu onherroepelijk voorbij is. 

Naast de regelmatig afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen en de eindrijmen in deze eerste acht regels, zijn er soms ook nog een mooie alliteratie (schaduw – schenken) en meerdere assonanties (goden – ogen – rode / uitzenden – denken) die de regels nog klankrijker maken.

Hun houding wil de wijze leren
Niets op deze wereld te begeren
Wat onrust, rumoer en beweging heet;

De twee terzinen trekken lering uit het tafereel: een bekend literair procedé in dierenverhalen of fabels: op het einde volgt de wijze les voor de toehoorders of lezers, de moraal van het verhaal. Dat lijkt de dichter hier ook te doen. Er zit een les in voor de wijze, voor wijze mensen. Bedoelt hij echt de geleerden, de priesters of religieuzen? Of bedoelt hij de wijze lezers? De les lijkt te zijn dat mensen beter niet verlangen naar onrust, rumoer en beweging – een heerlijke drieslag om zijn boodschap kracht bij te zetten. Dit zou naïef-letterlijk kunnen betekenen dat we ons beter niet te veel fysiek inspannen. Maar door de context van begeren, onrust, rumoer, wil de wijze leren en het feit dat de uilen denken, lijkt de dichter het veel meer te hebben over welke levenswijze mensen dienen na te streven. Wijze mensen streven naar een innerlijke rust: alles wat de innerlijke rust verstoort, moet worden vermeden. Horen we hier de ascetische leer van een christelijke monnik, of de filosofie van een exotische, boeddhistische zen-meester? De laatste terzine zet die strenge levensles nog extra in de verf.

En wij, op jacht naar vluchtige fortuinen,
Torsen ons leven lang het leed
Van plaats te hebben willen ruilen.

De uilen mogen dan wel wijze mensen aansporen tot innerlijke rust, de meeste mensen (wij) zijn voortdurend op zoek naar gelukzalige piekmomenten die per definitie vluchtig zijn: van zodra we iets hebben – bezit / macht / liefdespassie – willen we weer iets anders. Het archaïsme fortuinen maakt die wereldse verlangens poëtisch bijzonder verleidelijk. Net daardoor is ons leven een voortdurende kwelling – torsen is ‘met grote moeite dragen’ (van Dale). Die kwelling – het leed – wordt op een eigenaardige manier geformuleerd: we willen van plaats (…) ruilen. Met wie? Met de uilen? Zou kunnen. Wie betrapt er zichzelf nooit op te verzuchten ach, was ik maar een … (vul zelf maar de diersoort in)? Maar is dat dan zo erg?

Baudelaire – schrijft Wigman in een korte toelichting achteraan – gebruikte diezelfde metafoor ook in een ander gedicht, namelijk in het prozagedicht Anywhere out of the world /N’ importe où hors du monde. De beginregels van dit gedicht luiden (met Google Translate-vertaling):

Cette vie est un hôpital où chaque malade est possédé du désir de changer de lit. Celui-ci voudrait souffrir en face du poêle, et celui-là croit qu’il guérirait à côté de la fenêtre.
(Dit leven is een ziekenhuis waar elke patiënt bezeten is van het verlangen om van bed te veranderen. Deze zou wel willen lijden voor de kachel, en die gelooft dat hij bij het raam zou herstellen.)

Ook in dit gedicht lijdt de mens aan het leven. Het leven IS een verblijf in een ziekenhuis. En ook in deze metafoor geloven wij (als patiënten) dat we beter af zouden zijn als we de plaats zouden kunnen innemen van iemand anders. In het gedicht wordt daarna een gesprek gevoerd tussen de ik en zijn ziel. Zou het niet beter zijn om ergens anders te gaan wonen: Lissabon, Holland, Batavia, het uiterste punt van de Baltische Zee? Zijn ziel antwoordt niet, tot hij op het laatst explodeert en uitroept: Overal! Overal! Zolang het maar niet op deze wereld is!

Zoveel is duidelijk. Volgens Baudelaire zijn wij mensen – per definitie – niet gelukkig met onszelf, met wie we zijn, met wat we hebben. Wij lijden aan het leven. We denken dat anderen het beter hebben dan wij. Wij zouden die anderen willen zijn. Spleen noemde Baudelaire zijn weltschmerz en dat gaat een stap verder dan het romantische verlangen naar een mooier, een beter, een ander leven … Baudelaire weet dat het een illusie is, dat wij onszelf wijs maken dat we dan gelukkig zouden zijn. Hij beseft dat zelfs al zou je verhuizen naar andere oorden (een reële mogelijkheid), zelfs al zou je die andere kunnen zijn (een irreële mogelijkheid), het verlangen zal blijven, je ziel zal nooit tevreden zijn.

Kunnen wij ooit ontsnappen aan onze diepgewortelde, ziekmakende begeerte om van plaats te (…) willen ruilen?

Misschien door stil te staan en geheel op te gaan in het moment: een resonantie-ervaring dixit Hartmut Rosa. Zoals ook Charles Baudelaire ongetwijfeld moet hebben ervaren op de momenten dat hij, een en al aandacht, van zijn existentieel onbehagen dit subliem sonnet probeerde te maken – een bloem (makend) van het kwaad. Zoals ook wij vandaag, door de betekenis en de schoonheid in dit gedicht wakker te willen lezen, even onze wereldse en dus vergeefse jacht op fortuinen vergaten, óf juist op het spoor kwamen? 

Joost Dancet
Met dank aan Marianne, Danny Van De Velde, Koen Vandendriessche en Katrien Olivier.


Essays over identiteit, nabootsing en geweld
Inhoudsopgave ➠