Essays over identiteit, nabootsing en geweld


De groenzijden sigarenkoker van Emma Bovary 

– Het geheime koesteren van een gevonden voorwerp –

© eigen foto

Copyright romanfragmenten:
Gustave Flaubert, Madame Bovary
LJ Veen Klassiek, vijfendertigste druk, 2020
Vertaling: Hans van Pinxteren

Wat de smaak van het bekende Petit Madeleine-cakeje deed in Du côté de chez Swann (1913), het eerste van de zevendelige romancyclus van À la recherche du temps perdu van Marcel Proust, doet de geur van een sigarenkoker in Madame Bovary (1856) van Gustave Flaubert: gelukkige herinneringen oproepen. Bij de ik-verteller van Marcel Proust gebeurt dat op het einde van het eerste hoofdstuk toevallig en onbewust; Emma Bovary haalt de prachtige sigarenkoker telkens opnieuw boven in hoofdstuk 9 van Flauberts roman om de geur ervan op te snuiven die haar moet terugbrengen naar de vicomte, de burggraaf die ze op het eerste bal na haar huwelijk had ontmoet.

In zijn studie Mensonge romantique et vérité romanesque uit 1961 vindt René Girard Madame Bovary een bijzondere roman omdat Gustave Flaubert in het verhaal de waarheid blootlegt over menselijke verhoudingen. Wij mensen begeren iets of iemand – hoezeer wij dat ook mogen ontkennen – omdat iemand anders dat object of die persoon begeert. Wij mensen geloven liever de ‘romantische leugen’ dat we begeren omdat iets uit zichzelf de moeite waard is om te begeren of wij zijn er heilig van overtuigd dat die begeerte voortvloeit uit onze persoonlijke, diepste verlangens. Niets is echter minder waar. Er is in elke begeerte onbewust altijd een derde, een model. Girard noemt het: le désir ‘triangulaire’, ‘driehoeks’-begeerte. Romans die deze waarheid over het menselijk begeren aan het licht brengen noemt hij ‘romanesk’. Behoren tot deze categorie: Don Quichotte van Cervantes, Madame Bovary van Flaubert, Le rouge et le Noire van Stendhal, de eerder genoemde romancyclus van Proust en De eeuwige echtgenoot van Dostojevski. In een latere studie voegt hij er ook nog toneelstukken van Shakespeare aan toe.

Laten we even die ‘driehoeks’- begeerte van Emma Bovary van naderbij bekijken. Meer bepaald het ontluiken van die begeerte en hoe die literair gestalte kreeg in dat ene fascinerende voorwerp: “een groenzijden sigarenkoker”.

Emma Rouault, dochter van een rijke boer, is nog niet zo lang geleden getrouwd met de jonge weduwnaar plattelandsdokter Charles Bovary, als het paar uitgenodigd wordt op het bal van een markies. Ze is maar wat blij dat er eindelijk iets spannends te gebeuren valt dat de saaiheid en de sleur van haar bestaan zal doorbreken. Ze kijkt inderdaad haar ogen uit op het bal, maar als iemand met een laag uitgesneden vest dat hem als gegoten zat, die door iedereen familiaar vicomte werd genoemd haar een tweede (!) maal ten dans vraagt, raakt ze helemaal in extase. Dat ze niet goed kan walsen, is voor haar danspartner helemaal geen bezwaar. Het wordt een onvergetelijke danservaring die haar door een kleine fout bijzonder dicht bij die vicomte brengt:

“Toen zij voorbij de deuren dansten, bleef Emma’s japon van onderen aan zijn pantalon haken, hun benen schoven langs elkaar; hij blikte op haar neer, zij sloeg de ogen naar hem op; zij verstijfde, stond stil. Zij begonnen opnieuw; en in een sneller wervelen voerde de vicomte haar mee en verdween met haar tot achter in de galerij, waar zij, naar adem snakkend, bijna viel en haar hoofd een ogenblik liet rusten aan zijn borst. Vervolgens, nog altijd ronddraaiend, maar kalmer nu, bracht hij haar terug naar haar plaats; zij leunde tegen de muur en sloeg een hand voor haar ogen.” (p. 61)

En dan gebeurt er iets merkwaardigs:

“Toen zij weer opkeek, zat midden in de zaal een dame op een taboeret, met drie voor haar neergeknielde dansers. Zij koos de vicomte, en de viool zette weer in.
Iedereen zag toe. Ze zweefden voorbij en keerden weer om, zij zonder haar romp te bewegen, de kin omlaag, hij nog altijd in dezelfde houding, de schouders naar achteren, de arm sierlijk gebogen, de kin vooruit. Die vrouw kon walsen! Zij gingen lang door, tot alle anderen het beu waren.” (p. 61)

Wanneer Charles en Emma daarna, net zoals de andere overgebleven gasten, gaan slapen in de gastverblijven, streed zij tegen de slaap om zo lang mogelijk te kunnen verkeren in de illusie van dit weelderige leven waarvan zij straks weer afstand zou moeten doen. Geen enkel moment komt de vicomte in haar gedachten terug, ook niet de volgende morgen bij het ontbijt of bij het afscheid van de markies die hen had uitgenodigd. 

Had Emma er zich bij neergelegd dat de vicomte onbereikbaar voor haar was? Zij mag dan wel een mooie verschijning zijn waardoor ze door hem opnieuw ten dans werd gevraagd, zij had het moeten afleggen als danspartner. En er bleef natuurlijk een onoverbrugbare sociale afstand: hij een aristocraat, vanaf zijn geboorte genietend van het weelderige leven.

Op de terugweg meent ze plots toch de vicomte te zien en vindt haar echtgenoot niet veel later de sigarenkoker. Links kan je het tekstfragment lezen, rechts mijn commentaar.

Madame Bovary, pp. 63 – 66

(het fragment in pdf-formaat, voor wie het fragment zelf eerst wil lezen, zonder mijn commentaar)
(hetzelfde fragment met mijn commentaar in pdf-formaat, misschien wel een handiger lay-out dan op deze webpagina?)

Einde hoofdstuk 8

Ter hoogte van Thibourville reden plotseling een paar ruiters voorbij, lachend, met sigaren in hun mond. Emma meende de vicomte te herkennen; zij wendde haar blik af, en in de verte zag ze alleen nog maar hoofden op en neer gaan, in de onregelmatige cadans van de draf of de galop.

Een kwart mijl verder moesten ze stilhouden om de kruisriem, die gebroken was, met een stuk touw te repareren.

Toen Charles nog een laatste blik wierp op het tuig, zag hij tussen de benen van zijn paard iets op de grond liggen; en hij raapte een sigarenkoker op, overtrokken met groene zijde, waarop in het midden een blazoen stond, als op het portier van een karos.

‘Er zitten waarachtig nog twee sigaren in,’ zei hij; ‘die zijn voor vanavond, na het eten.’

‘Rook je dan?’ vroeg zij.

‘Soms wel ja, als het zo uitkomt.’

Hij stak zijn vondst bij zich en legde de zweep over het paardje.

Toen ze thuiskwamen, was het eten nog lang niet klaar. Mevrouw wond zich op. Nastasie gaf een brutaal antwoord.

‘Eruit!’ zei Emma. ‘Dit gaat te ver. Je bent ontslagen.’

De maaltijd bestond uit uiensoep en een stuk kalfsvlees met zuring. Charles zat tegenover Emma in zijn handen te wrijven en zei met een opgewekt gezicht: ‘Het is toch maar best om weer thuis te zijn!’

Ze hoorden Nastasie huilen. Hij mocht de arme meid wel. Zij had hem heel wat avonden gezelschap gehouden in zijn eenzame staat van weduwnaar. Zij was zijn eerste patiënte geweest, zijn oudste kennis in dit oord.

‘Heb je haar nu echt weggestuurd?’ vroeg hij ten slotte.

‘Ja. Wat let me?’ antwoordde ze.

Terwijl hun kamer in gereedheid werd gebracht, zochten zij de warmte van de keuken op. Charles stak een sigaar aan. Hij rookte met getuite lippen, spuwde elk ogenblik en gruwde bij elk trekje.

‘Zo word je nog ziek,’ zei ze minachtend.

Hij legde zijn sigaar neer, liep snel naar de pomp en dronk een glas koud water. Emma pakte de sigarenkoker en wierp hem haastig achterin de kast.

De volgende dag kwam maar niet om! Zij stapte door haar tuintje, steeds dezelfde paadjes op en neer, bleef staan bij de bedden, bij de leiboom, bij de gipsen pastoor, en staarde bevreemd naar al dat vroegere, dat zij toch zo goed kende. Wat leek het bal nu al ver achter haar te liggen! Wat had toch zo’n afstand teweeggebracht tussen de ochtend van eergisteren en de avond van vandaag? Haar uitstapje naar La Vaubyessard had een gat in haar leven geslagen, zoals een onweer soms in één nacht diepe kloven in de bergen slaat. Maar zij berustte; zij borg haar baljurk vol piëteit in de ladekast, evenals haar satijnen schoentjes waarvan de zolen geel zagen van de waslaag op de geboende parketvloer. Met haar hart was het precies zo gesteld: de rijkdom waarmee het in aanraking was gekomen, had er een indruk achtergelaten die zich niet meer liet uitwissen.

De herinnering aan het bal bleef Emma dus bezighouden. Op elke nieuwe woensdag zei ze bij het wakker worden: Och! Een week geleden… twee weken geleden… drie weken geleden was ik daar! En in haar geheugen vloeiden de verschillende gezichten langzamerhand ineen, zij vergat de dansmelodieën en zij zag de livreien en de zalen niet meer zo duidelijk voor zich; een paar details ontschoten haar, maar het verlangen bleef.


sigaren – Een teken van hun stand? Of ook een seksuele connotatie?
Emma meende – Het is niet zeker, dus.
zij wendde haar blik af – Omdat de vicomte of eender wie van die ruiters onbereikbaar voor haar is?

tussen de benen – Opnieuw een seksuele connotatie? Maakt het (ironisch) contrast nog groter tussen het ontspannend rijden van de vicomte en Charles die zijn krakkemikkig rijtuigje moet repareren.
groene zijde, blazoen – Wijzend op de aristocratische herkomst van het kleinood.
waarachtig – De vondst is een buitenkansje voor Charles: vanavond rookt hij de eerste sigaar op. Ook al rookt hij weinig of nooit. Wat een verschil in beleving met Emma!

Je bent ontslagen. – Wie gefrustreerd is, kan het soms enkel uitwerken op wie lager staat: de baas werkt zijn frustraties af op zijn bediende. De bediende op zijn vrouw. De vrouw op het kind, de hond of hier dus de meid.

best om weer thuis te zijn. – O ironie: Charles heeft er geen flauw benul van wat zijn vrouw erover denkt! Haar ongenadige uitval tegen de meid doet blijkbaar geen belletje rinkelen bij hem.

Charles rookt zijn trofee op. Maar zoals het wel meer gebeurt met begeerde objecten: het levert niet het gewenste effect op. 

minachtend – Het felle misprijzen van de vrouw. 

haastig – Ook minachtend? Ervoor zorgen dat haar man de tweede sigaar nooit meer oprookt?

Nu wordt nog duidelijker hoe neerslachtig en down Emma is de volgende dag en dagen. Dat gebeurt in schitterende metaforen:
kwam maar niet om
steeds dezelfde paadjes op en neer

staarde bevreemd 
een gat in haar leven
zoals een onweer …

berusttevol piëteit – Werkelijk? Dat zou ze wel willen. Maar slaagt ze er ook in?

het verlangen bleef. – Schitterende laatste woorden van dit hoofdstuk. De concrete herinneringen mogen dan wel stilaan zijn verdwenen, het knagend verlangen naar meer, naar een ander leven bleef. En die woorden blijven misschien nog even extra hangen in het geheugen van de lezer dankzij de witregels en de nieuwe pagina die moet worden omgeslagen.

Hoofdstuk 9

Vaak haalde zij als Charles niet thuis was de groenzijden sigarenkoker uit de kast, waar zij hem verborgen had tussen het linnengoed.

Zij keek ernaar, maakte hem open en snoof de geur op van de voering, een mengeling van verbena en tabak. Van wie zou hij zijn…? Van de vicomte. Misschien wel een geschenk van zijn maîtresse. Hij was geborduurd op een raam van palissanderhout, een sierlijk kleinood, dat voor ieders oog verborgen bleef en waar de welige krullen van de peinzende borduurster urenlang overheen hadden gehangen. Liefdes’ adem was getogen door de mazen van het weefsel; in iedere steek van de naald had zich een verwachting of een herinnering vastgelegd; en al die dooreengewerkte zijden draden waren één groot getuigenis van die gestadige stille hartstocht. En op een ochtend had de vicomte hem meegenomen. Waarover zouden ze gesproken hebben als hij op de brede schoorsteenmantels lag, tussen de bloemenvazen en de Pompadour-pendules? Zij leefde in Tostes, hij nu ginds in Parijs! Hoe zou dat zijn, Parijs? Wat een geweldige naam! Zij herhaalde hem zacht en genoot telkens weer. Hij klonk haar in de oren als de klok van een kathedraal, en hij straalde haar zelfs van de etiketten op haar pommadepotjes tegemoet.

Als de vishandelaren ’s nachts op hun karren onder haar raam voorbijreden en de ‘Marjolaine’ zongen, werd zij wakker. Zij luisterde naar het geratel van de met ijzer beslagen wielen, dat buiten het dorp snel verstierf op de aarden weg.

Morgen zijn ze er! zei ze bij zichzelf.

En in gedachten volgde zij hen, heuvel op, heuvel af, de dorpen door, bij het licht van de sterren de wegen langs. Maar na een onbepaalde afstand kwam altijd een vaag oord waar haar droom ophield.

Zij kocht een plattegrond van Parijs en maakte met haar vinger over de kaart wandelingen door de hoofdstad. Zij liep de boulevards op en stopte bij elke hoek, tussen de lijnen van de zijstraten en voor de witte vierkanten die huizen voorstellen. Ten slotte werden haar ogen moe, zij sloot ze en zag in het donker de gaslantaarns flakkeren in de wind, terwijl de treeplanken van de rijtuigen met geraas werden uitgeklapt voor de ingang van de theaters.

Zij abonneerde zich op het damesblad La Corbeille en op de Sylphe des Salons. Zij verslond tot het kleinste detail alle verslagen van premières, wedrennen en soirees, stelde ze belang in het debuut van een zangeres, in de opening van een warenhuis. Zij wist alles van de laatste mode, wáár je de beste tailleurs vond, wanneer je het Bois de Boulogne bezocht en wanneer de Opéra. Zij bestudeerde de beschrijving van het meubilair bij Eugène Sue, zij las Balzac en George Sand, om althans in de fantasie haar persoonlijke begeerten bevredigd te zien. Zij nam haar boek zelfs mee aan tafel en sloeg de ene bladzijde na de andere om, terwijl Charles zat te eten en tegen haar sprak.

Bij al wat ze las rees het beeld van de vicomte op. Zij trok vergelijkingen tussen hem en de romanfiguren. Maar de kring waarvan hij het middelpunt was, werd allengs groter, en zijn aureool maakte zich los van zijn persoon, breidde zich steeds verder uit en wierp zijn licht over andere dromen. 

Nu blijkt dat ze in de ban is van haar verlangen. Zij houdt dat gevoel levend door die groenzijden sigarenkoker tevoorschijn te halen: en dat gebeurt vaak!
snoof de geur – Ze gebruikt het object als een soort fetisj – ze moet eraan ruiken (lichamelijk).
Van de vicomte. – Zij weet niet van wie het kleinood is, maar zij wil dat het van hem is!
een geschenk van zijn maîtresse – Zij vindt het helemaal niet erg dat hij een geliefde heeft, en zij dus een rivale is. Dat verhoogt enkel haar begeerte voor de vicomte.
groenzijden – geborduurd – sierlijk – Het is een mooi, duur object.
borduurster – Nu fantaseert Emma hoe sensueel het maken van de sigarenkoker was, zie: voor ieders oog verborgen, welige krullen, Liefdes’ adem, verwachting, dooreengewerkte draden, gestadige stille hartstocht.
En op een ochtend had de vicomte – Een volgende episode in het verhaal over de sigarenkoker in haar verbeelding, inclusief een gesprek tussen de vicomte en zijn maîtresse.
Nu wordt Parijs het gedroomde paradijs. De plaats waar de vicomte leeft. (Het gras is altijd groener aan de andere kant van de heuvel.)
Het overvalt haar zelfs ‘s nachts als de vishandelaren voorbij haar huis trekken op weg naar Parijs om hun waren te verkopen.

Hoe erg kan je geobsedeerd raken? Een plattegrond kopen van de plaats waar je denkbeeldige geliefde woont?

Ze laat zich helemaal meezuigen in die voor haar onbekende wereld. Zij voedt zichzelf a.h.w. opnieuw op – een eigen ‘éducation sentimentale’ – zodat zij straks op hetzelfde ‘esthetische’, ‘artistieke’ niveau staat als haar geliefde. Haar ‘leerkrachten’: damesbladen en romans. In de negentiende eeuw is er nog geen film of tv. Op Facebook, Instagram, TikTok en andere social media voor stijliconen en influencers is het nog wat langer wachten.

terwijl Charles zat te eten en tegen haar sprak. – O ironie. Zij leeft in een totaal andere wereld dan haar man. Scherper kan het niet verbeeld worden.

Bij al wat ze las rees het beeld van de vicomte op. – Het is overduidelijk dat ze verliefd is op de vicomte, of beter op een ‘droombeeld’ dat mee gecreëerd wordt door de personages uit haar geliefkoosde romans.

en zijn aureool maakte zich los van zijn persoon, – Het hoeft ook de vicomte niet te zijn. Het mag ook iemand anders zijn uit die kringen. Zij is er in elk geval helemaal klaar voor.

→ hoofdstuk 9 kan je hier online verder lezen: pp. 118-123

Maar er komt – voorlopig – geen gelegenheid om haar geheime dromen werkelijkheid te laten worden. Charles en Emma Bovary worden niet meer uitgenodigd op een bal. Zij kwijnt geleidelijk weg en haar man, die helemaal niet bevroedt wat er aan de hand is, vindt er ten slotte geen betere remedie op dan te verhuizen, dichter bij de stad Rouen. En net dan blijkt ze in verwachting – dit is het einde van hoofdstuk 9 en meteen ook het einde van het eerste deel van de roman.

Haar dochtertje – ze hoopte op een jongen – brengt haar niet dichter bij haar echtgenoot en familiaal geluk. Integendeel, op hun nieuwe woonplaats blijkt er een reële kandidaat-minnaar op te duiken. Niet echt iemand uit die gedroomde, aristocratische Parijse kringen, maar iemand die net als zij van romans en lezen houdt. En nou ja, de jonge notarisklerk Léon studeerde in Parijs. Hij komt vaak bij de familie Bovary over de vloer. Wordt zij verliefd? Beantwoordt hij haar liefde? Worden zij geliefden? Wordt zij zijn maîtresse? Imiteert zij nu ook daadwerkelijk haar denkbeeldige eerste minnaar, de vicomte? 

Het heeft er lange tijd alle schijn van, maar Flaubert maakt het – zoals in het echte leven – net iets gecompliceerder. Léon verdwijnt. Rodolphe komt. Rodolphe verdwijnt. Léon komt terug en hoe! Zij leidt zo zelf een leven zoals haar held, de vicomte. Meer nog, toen ze daadwerkelijk een maîtresse werd, gaf zij haar minnaar – zo lezen we 12 hoofdstukken verder – “een sigarenkoker, precies zo een als Charles eens op de weg had gevonden en die Emma bewaarde in herinnering aan de vicomte.” Maar op het moment dat de lezer dit verneemt, komt hij ook te weten dat Emma Bovary onbarmhartig de bons krijgt van haar minnaar. De jarenlang heimelijk gekoesterde sigarenkoker en zijn exacte kopie hebben gefaald. Imitatie lijkt geen garantie op geluk.

De sigarenkoker overtrokken met groene zijde duikt verder niet meer op in de roman. Maar, als Emma ten slotte na haar zelfmoord moet worden begraven, is er misschien toch nog een bijzonder sarcastische knipoog van Flaubert. Haar diepbedroefde echtgenoot, die nog steeds niets vermoedt, eist dat zijn mooie vrouw begraven wordt in drie kisten en: “Over alles heen komt een groot kleed van groen fluweel.” Zij wordt inderdaad begraven in drie kisten, maar zonder het grote kleed erover.

Groen? Het is waarschijnlijk niet toevallig dat Flaubert groen koos als kleur van de begerenswaardige sigarenkoker. Shakespeare noemde jaloezie het groenogig monster (‘the green-eyed monster’) in Othello, en is de uitdrukking niet ‘groen van jaloezie’ (‘vert de jalousie’)? Er is nog het spreekwoord ‘het gras is altijd groener bij de buren’ (‘l’herbe est toujours plus verte chez le voisin’) en varianten op hetzelfde thema. Maar ook als je in groen de kleur van de hoop of van nieuwe leven ziet, zijn er – in deze context – diezelfde connotaties van jaloezie en afgunst. De groene kleur maakt de sigarenkoker van Emma Bovary een nog krachtiger metafoor van ons diepste, heimelijke, onstuitbaar mimetische verlangen. Wij mensen begeren wat een ander begeert.

Joost Dancet
Dank aan: Marianne, Koen Vandendriessche en Danny Van De Velde voor opbouwende kritiek en feedback.

Epiloog

De 35-jarige Gustave Flaubert publiceerde zijn roman anderhalve eeuw geleden (!). Ondanks de ondertussen grote afstand in tijd, milieu en leefwereld, weet Flauberts vertelling ook anno 2022 het leven, de emoties en verlangens van een jonge vrouw op overtuigende wijze op te roepen. Vijf jaar lang had hij aan die roman geschaafd. Elke alinea bleef hij herschrijven tot ze ook goed klonk. (1) Vijf jaar intense arbeid, vijf jaar waarin hij nauwelijks tijd maakte voor zijn toenmalige geliefde en muze, de elf jaar oudere schrijfster Louise Colet. Zij schreven elkaar weliswaar lange brieven, maar hij zag haar blijkbaar slechts eenmaal om de twee, drie maanden. Zij mocht nooit naar hem toe komen, dat zou hem te veel afleiden van zijn roman in wording over een … verliefde vrouw. 

Op 23 december 1853 schreef hij Louise om 2 uur ‘s nachts:

“Ik moet wel van je houden dat ik je vanavond schrijf, want ik ben uitgeput. Het lijkt wel of ik een stalen helm op mijn kop heb. Vanaf twee uur vanmiddag (met uitzondering van ongeveer vijfentwintig minuten voor het avondeten) schrijf ik aan la Bovary, ik zit precies midden in hun naaipartij; ze zweten en het hart klopt hun in de keel. Dit was een van de weinige dagen in mijn leven die ik volledig en van begin tot eind in zinsbegoocheling heb doorgebracht. Toen ik daarnet om zes uur het woord ‘zenuwaanval’ neerschreef, was ik zo opgewonden, brulde ik zo hard en voelde ik zo intens wat mijn arme dametje doormaakte, dat ik bang was er zelf een te krijgen. Ik ben van mijn tafel opgestaan en ik heb het raam opengezet om weer kalm te worden, (…) het is iets heerlijks, schrijven, niet meer jezelf zijn, maar rondwandelen in de hele schepping waarover je spreekt. Vandaag bijvoorbeeld heb ik, man en vrouw in één, minnaar en maîtresse tegelijkertijd, op een herfstmiddag in een woud onder gele bladeren paard gereden, en ik was de paarden, en bladeren, de wind, de woorden die ze spraken en (….)” (2)

Gustave Flaubert brak twee maanden later definitief met Louise Colet. Hun relatie had – met onderbrekingen – acht jaar geduurd. (3)

Joost Dancet

Voetnoten

(1)
“Als geen ander hechtte Flaubert waarde aan de poëzie van zijn zinnen. Om het ritme van zijn teksten te verifiëren, toetste hij zijn werk aan zijn befaamde gueuloir, een substantief dat is afgeleid van het Franse werkwoord gueuler, ‘brullen’. Hij had de neiging om zich schor te schreeuwen door zijn manuscripten met luide stem voor te lezen. In zijn brieven klaagde hij daar nadien over.” Camille Bortier op karakters.nu.

Zie ook: ‘Het laarsje van Emma Bovary’ op Filter, waarin Kiki Coumans niet enkel de stijl van Madame Bovary van Flaubert bespreekt, maar ook de stijl van de vertalingen vergelijkt. Met de vertaling die ik hier laat lezen van Hans van Pinxteren als superieure winnaar.

(2)
Gustave Flaubert, Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie, Arbeiderspers, 1979 pp. 146-147.

(3)
Ik kon nergens bevestiging krijgen dat Flaubert een sigarenkoker kreeg van Louise Colet zoals deze bron suggereert: Joke J. Hermsen, Heimwee naar de mens: essays over kunst, literatuur en filosofie.

Louise Colet schonk hem wel, naar eigen zeggen, dat andere cadeau dat Emma Bovary aan Rodolphe gaf: “een lakstempel met het devies Amor nel cor” Liefde in het hart. Zij schreef er enkele jaren later een gedicht over (https://gallica.bnf.fr/). Als de lakstempel inderdaad haar cadeau was, dan is wat Flaubert Rodolphe laat doen met dit geschenk in Madame Bovary een ploertenstreek in het kwadraat. De avond voor ze samen zullen weglopen, schrijft Rodolphe een afscheidsbrief naar Emma:
“Hij las zijn brief nog eens over. Zo leek het hem goed. Arm vrouwtje, dacht hij vertederd. Ze zal wel vinden dat ik nog gevoellozer ben dan een rotsblok; er zouden wat tranen overheen moeten, maar ik kan niet huilen; niets aan te doen. Nu schonk Rodolphe water in een glas, doopte er zijn vinger in, en liet boven het papier een grote druppel vallen die vervloeide met de inkt; toen hij de brief wilde dichtlakken, kreeg hij het stempel met Amor nel cor in handen.
Dat slaat niet zo op deze situatie… Ach, wat maakt het ook uit!
Daarna rookte hij drie pijpen en ging naar bed.”
Madame Bovary, p. 211.


Essays over identiteit, nabootsing en geweld
Inhoudsopgave ➠